Vrij

“Op het strand hoor je niet op je telefoon te zitten”, klinkt het naast me. Eén van de twee puberdochters kijkt haar ouders geïrriteerd aan. Zij zitten beiden op een strandstoel te turen naar hun telefoonscherm.
Ik zit op één van de mooie stranden van Texel en bekijk het tafereel. Zonder dat het meisje het doorheeft, raakt ze voor mij precies de kern. Op het strand voelt het vrij, los van alles, los van de rest van de wereld.

Aan de zee staat mijn dochter met haar schepnet. Ze is bezig een eigen zeeaquarium te maken in haar emmer. Iets wat ze het liefste doet op het strand. Een jongen helpt haar met zijn eigen schepnet. Ze struinen de hele zeebodem af en vangen garnalen, heremietkreeftjes, platvisjes en kwallen. Bij elke vangst hoor ik kreetjes van opwinding. En dan komt dochter ineens op me aflopen. “Mama, mama, kijk! We hebben een krab gevangen!”. Er zwemmen wel vaker krabbetjes in de zee, maar deze is van een wel even wat groter kaliber. “Wauw!”, zeg ik. “Die is echt heel mooi.” Later vangen ze er met behulp van andere oplettende strandgangers nog een. Een mannetje en een vrouwtje. Samen in een emmer met zeewater. De jongen en mijn dochter zijn maar wat trots.

Als in de loop van de middag de zee zich langzaam weer richting het strand begint te bewegen, wordt er door dochter en haar strandvriend een enorm zwembad gegraven in het zand (“Niet helemaal zelf gedaan hoor mama, iemand anders was al begonnen”). Zodanig dat het water dat in de branding neerslaat als vanzelf het zwembad in stroomt.
Twee enorm grote blauwe kwallen worden in het zwembad geplaatst. De beestjes trekken enorm veel aandacht van andere strandgangers. Er worden vragen gesteld, foto’s gemaakt en mijn dochter vertelt maar al te graag wat ze allemaal gevangen heeft.

Concentreren op mijn boek is bijna niet te doen, want de echte wereld om me heen is hier te mooi. Overal om me heen rennen kinderen lachend achter elkaar aan, worden radslagen gemaakt en samen ijsjes gegeten. Voor me nemen mensen een duik in het koele zeewater, worden golven bedwongen met bodyboards en proberen kinderen en ouders met meer of minder succes de mooiste zandkastelen te bouwen.
Dochter staat inmiddels verderop het strand een ander meisje te helpen met haar grote vlieger. Iedere keer als het fel gekleurde speelgoed neerstort in het zand, rent mijn dochter er enthousiast op af en gooit hem weer op. Er komen nog wat meer kinderen bij staan en om de beurt mogen ze de vlieger proberen capriolen te laten maken en in de lucht te houden. Stuk voor stuk lachend en vol energie. Tips worden gegeven en hulp wordt geboden wanneer de vlieger weer hulpeloos in het zand belandt.

En ik? Ik geniet. Van hoe snel vriendschappen hier worden gesloten. Van het stel krabben in de emmer naast mijn handdoek. Zelfs van het zand tussen mijn tenen. Van hoe weinig je hier nodig hebt om te zijn. Los te zijn van alles. Het zand, de zee, de zon en de wind; het lijkt een magische mix.  

Naast me maakt een gezin aanstalten om weg te gaan. Spullen worden ingepakt. Dochter gaat nog even met mama mee naar de wc. Zoonlief roept: “Dan ga ik nog even spelen met mijn beste vriend!”
Het jochie rent enthousiast op de beoogde strandvriend af, waarna die zich omdraait en zegt: “Ik ben nu met iemand anders aan het spelen”.
Ok, in tegenstelling tot de buitenwereld zijn strandvriendschappen misschien niet zo standvastig.